Dat ene ogenblik
Chronos en Kairos
Waar natuurkundigen de tijd proberen te doorgronden, onderzoeken filosofen de tijd van binnenuit.
Tijd is zowel het fundament onder het menselijke bestaan als het grootste mysterie. Zolang we de tijd tellen, lijkt er weinig aan de hand, maar zodra we het wezen ervan willen vangen, beginnen de problemen. Geen filosoof, dichter of wetenschapper is er tot nu toe in geslaagd een definitieve beschrijving te geven. Ik heb veel over de tijd geschreven, maar de enige zekerheid die ik heb verkregen is dat de tijd op zijn minst twee gezichten heeft: het verschil tussen tijd meten en tijd ervaren, of tussen tijd hebben en tijd zijn.
Omdat onze rationele vermogens haperen zodra we de tijd in een definitie willen vangen, zoeken we vaak onze toevlucht in de verbeelding. Door de eeuwen heen ontstond een rijk palet aan metaforen en symbolen, met een sterke voorkeur voor beelden van water. Panta rhei, alles stroomt – zo wordt Heraclitus’ denken vaak samengevat. ‘Het water van de rivier dat je met je hand aanraakt is het laatste wat voorbijstroomt en het eerste wat er aankomt,’ schreef Leonardo da Vinci, ‘en zo is het ook met de tijd.’
Ook T.S. Eliot verbeeldde tijd via de rivier. In The Dry Salvages (1941) schrijft hij dat de tijd niet buiten ons om stroomt, maar dat ‘de rivier in ons’ is. Daarmee raakt hij aan het verschil tussen kloktijd en de tijd zoals we die ervaren. Een uur mag op de klok altijd precies zestig minuten duren, in onze ervaring kan het voorbijvliegen, stilstaan of tergend langzaam voorbijkruipen.
De innerlijk ervaren tijd laat zich niet in universele tijdseenheden vangen, maar heeft een subjectief karakter. Elk moment wordt gevormd door wat eraan voorafging: indrukken, herinneringen en persoonlijke geschiedenis. Het ervaren moment is een ‘in het heden aanzwellend verleden’, zoals de Franse filosoof Henri Bergson het omschreef. Tegelijk staan we open voor wat nog ongezien voor ons ligt. Heden, verleden en toekomst zijn niet scherp van elkaar gescheiden, zoals de lineaire kloktijd veronderstelt, maar vloeien in elkaar over. Bergson vergelijkt dit met een melodie: de reeds gehoorde noten bepalen hoe de volgende klinkt.
Zeggen hoe laat het is, zegt kortom nog niets over hoe we de tijd ervaren of hoe we in de tijd zijn. In mijn denken over die verschillende vormen van tijd spelen Chronos en Kairos een belangrijke rol. Chronos staat voor de meetbare, chronologische tijd; Kairos voor het juiste of geladen ogenblik, waarin een andere ervaring van tijd mogelijk wordt.
Kairos is in de Griekse mythologie de rebelse jongste kleinzoon van Chronos. Hij wordt afgebeeld als een jonge, gevleugelde god met een kaalgeschoren schedel en een lange haarlok over zijn voorhoofd. Wie het juiste ogenblik wil grijpen, moet aandachtig genoeg zijn om hem bij die kuif te pakken. Chronos wordt juist als een oude man met zandloper en zeis afgebeeld: de tijd die meet en voorbijgaat. Samen verbeelden ze de kwalitatieve en de kwantitatieve tijd. Het gaat niet om een keuze tussen beide, maar om het vinden van het juiste evenwicht.
Sinds de oudheid heeft Kairos als god van het juiste ogenblik tot de verbeelding van schrijvers en kunstenaars gesproken. Hij staat voor een tijdelijke onderbreking van de chronologische tijd, een intermezzo waarin iets nieuws mogelijk kan worden. Aandacht, rust en het zorgvuldig wegen van omstandigheden kunnen helpen zo’n ogenblik te herkennen.
Tijdens zo’n Kairos-interval hebben we niet zozeer tijd, maar zijn we tijd. Verleden, heden en toekomst ballen zich samen in één ogenblik; de tijd tikt niet alleen, maar opent zich.
Schrijver en filosoof Joke J. Hermsen denkt en schrijft al jaren over tijd, herinnering en het juiste ogenblik. Met boeken als Stil de tijd, Kairos en recent Tijd is hoop zoekt ze naar andere manieren om tijd te begrijpen dan via de klok alleen.




















