Any body there?
Een essay door Marlene Dumas
Wat betekent het om mens te zijn? Dat is een vraag die je ’s nachts uit je slaap kan houden terwijl je luistert naar het bonzende hart van je eigen lichaam. Terwijl de tijd wegtikt en de geest doorraast… Bewustzijn opgesloten in dit huis van de ziel dat het lichaam heet.
Er wordt gezegd dat je, om te weten wat goed voor je is, naar je lichaam moet luisteren. Dat zou eenvoudiger zijn als we in harmonie leefden met de mensen om ons heen. Het lichaam kan ons verraden, zoals wanneer we onder marteling dingen bekennen waar we niet in geloven, alleen om de pijn te laten stoppen. Soms worden lichamen gebroken, maar de geest niet.
Wij zijn ons lichaam, en toch ook weer niet. Iedereen die iemand heeft zien sterven, weet dat een dood lichaam iets heel anders is dan een levend lichaam. Daarom sluiten we ook zo snel als we kunnen de ogen van de doden.
Onze boeken over de zogenaamde westerse kunstgeschiedenis staan vol lichamen. Vooral het vrouwelijk naakt en het halfnaakte lichaam van Christus behoren tot de belangrijkste onderwerpen. De Bijbel en Ovidius’ Metamorfosen inspireerden eindeloos veel meesterwerken, vaak met een erotische lading. Op de een of andere manier zijn we gaan geloven dat waardering voor de schoonheid van kunst ons moreel betere mensen maakt. De geschiedenis heeft bewezen dat we het mis hadden. Na de gruwelen van de Holocaust leek het
onmogelijk in Europa nog menselijke figuren te schilderen. Kunst kan trauma’s niet genezen, maar kan wel proberen ons te helpen overleven. Zo zetten performancekunstenaars bijvoorbeeld hun eigen lichaam in, in plaats van anderen af te beelden.
Nu ik in 2025 word gevraagd na te denken over het lichaam, kan ik niet anders dan rouwen om de toestand van de wereld. Kinderen worden ontmenselijkt tot naamloze lichamen die zonder enig berouw gemarteld en gedood kunnen worden. Hoe zouden we de voortdurende bezetting, onderdrukking en vernietiging van het Palestijnse volk níét kunnen veroordelen? Niet dat dit het enige onrecht in de wereld is, maar andere gruwelijkheden worden tenminste niet ontkend.
De Joods-Amerikaanse Ben Ferencz (1920-2023), die op 27-jarige leeftijd hoofdaanklager werd in een van de processen van Neurenberg, heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog verschrikkelijke dingen gezien. Hij werd 103 jaar oud en bleef zich zijn leven lang inzetten voor een menselijkere wereld. In 1975 schreef hij zijn eerste boek, Defining International Aggression: The Search for World Peace. Hij pleitte voor de oprichting van een Internationaal Strafhof, dat in 2002 in Den Haag operationeel werd. In 2006 stelde hij voor dat niet alleen Saddam Hussein, maar ook George Bush terecht zou moeten staan voor oorlogsmisdaden.
Ferencz belichaamde het principe dat ieder mens recht heeft op een waardig leven en op rechten, vrij van angst en vervolging; dat er geen vrede kan zijn zonder rechtvaardigheid; en dat niemand buiten verantwoording valt. Hij voerde onvermoeibaar campagne voor Law Not War.
Maar tot onze schande verdwijnt het respect voor het internationaal recht, terwijl misdaden tegen de menselijkheid als normaal worden gezien.
Dit is een artikel uit See All This #42, zomer 2026. Bestel het nummer hier.




















