Het bot als verbinding

Relikwieën in het Art Zoo Museum

De tentoonstelling Relics bestaat uit een collectie fossielen die door Darwin, Sinke & Van Tongeren werden getransformeerd naar hedendaagse kunstwerken. Het resultaat is een artistieke ode aan resten van een verdwenen tijdperk. De expositie nodigt uit tot reflectie, eerbied en bewondering voor de schoonheid en kwetsbaarheid van de natuur. Peter van Duinen, directeur en mede-oprichter van de Vrije Academie, gaf een lezing over de tentoonstelling en hoe relikwieën ons verbinden aan eerdere tijdsperken.

tekst: Peter van Duinen
Fig 1. Relikwiehouder van Mary Magdalene, Toscane, 14e and 15e eeuw, verguld koper, verguld zilver, bergkristal, verre églomisé, 55,9 x 23,8 x 20,2 cm, rondel 8,6 cm, schenking van J. Pierpont Morgan, 1917

Een paar weken geleden was ik in het atelier van Jaap en Ferry en hield ik dit bot in mijn hand. Ik besefte me hoe vreemd dat eigenlijk is. Een bot zit in een dier; in onszelf. Het draagt ons een heel leven lang, en toch krijgen we het nooit te zien. Pas wanneer alles eromheen verdwenen is – het vlees, de huid, de tijd zelf – wordt het zichtbaar. Wanneer het zichtbaar wordt, gebeurt er iets wat mij telkens weer verrast.

Al zolang er mensen bestaan, kan een bot betekenis hebben, het kan ons verbinden met onze menselijkheid, met onze sterfelijkheid. Neem de catacomben onder de straten van Rome in de tweede eeuw na Christus. De vroege christenen daalden af in het tufsteen en legden hun doden in nissen langs de wanden. Degenen die voor hun geloof stierven – de martelaren – werden geprezen. Er gebeurde iets opmerkelijks: men begon de mis te vieren op die martelaarsgraven, precies daar, met de botten letterlijk onder hun voeten. Men geloofde dat er in deze overblijfselen iets aanwezig was dat eerbied verdiende.

En kijk wat daaruit is voortgekomen. Een regel die tot op de dag van vandaag geldt: elk altaar in de katholieke kerk moet een reliek bevatten. Elk altaar, waar ook ter wereld, rust nog altijd symbolisch op een bot uit die Romeinse gangen. Het bot daar is nog steeds onzichtbaar, achter steen, in het donker. Iedereen weet dat het aanwezig is, kennis voldoet. Toch wilden mensen meer; ze wilden zien wat zich onder het oppervlak bevindt.

Fig 2. Damien Hirst, Gone but not Forgotten, 2014, het skelet van een mammoet, drie meter hoog, bedekt met 24-karaats goud, in een kolossale glazen vitrine met een verguld raamwerk, Faena Hotel Miami Beach

Het reliekhouder uit Toscane is gemaakt van verguld zilver, verguld koper en bergkristal. In het midden zie je het eivormige vat van bergkristal, en daarin bevindt zich de echte tand van Maria Magdalena.

De Duitse middeleeuwse ambachtslieden hadden een woord voor de drang om het bot daadwerkelijk te zien: Schaubedürfnis, de behoefte om te aanschouwen. Het was niet genoeg om te weten dat de tand van Maria Magdalena ergens bestond, hij moest gezien worden. Daarom maakten zij het kostbaarste wat ze konden – niet om het te verbergen, maar om je dichterbij te trekken, om je te dwingen door het bergkristal heen te kijken, naar de tand zelf. De impuls om te verheerlijken en je met deze verhalen te verbinden is nooit verdwenen. Het heeft zich alleen verplaatst. Van de kerk naar het museum; van de heilige naar het dier.

Kijk hier eens naar. Damien Hirst, 2014. Het skelet van een wolharige mammoet, drie meter hoog, bedekt met vierentwintig karaat goud. In een kolossale glazen vitrine met een vergulde raamwerk staat het in de tuin van een hotel in Miami Beach. Hirst noemde het Gone but not Forgotten. Hij zei ooit: ‘Zonder kunst is het moeilijk voor ons om ergens in te geloven.’ Daarmee suggereert hij dat wat vroeger in de kerk plaatsvond – het geloof, het geven van betekenis, het gevoel dat iets ertoe doet – nu in het museum gebeurt. En voor Hirst zijn zijn eigen werken precies dat: moderne relieken. Dode dieren in formaldehyde; een diamanten schedel; een vergulde mammoet; objecten die ons confronteren met sterfelijkheid en tegelijk iets in ons raken dat ouder is dan kunst zelf. Het bot is de verbinding.

Precies dat is wat de goudsmid in Toscane deed met die tand achter het bergkristal: haar omsluiten met het kostbaarste materiaal dat we kennen. Niet om haar te verbergen, maar om haar te verheffen. En die glazen vitrine met haar vergulde lijst is als het bergkristal van Maria Magdalena, maar dan zeshonderd jaar later.

Zo komen we hier, met Jaap, Ferry en Iacopo en met hun kunstwerken. Wat zij doen is voor zover ik weet nog nooit eerder gedaan. Geen opzichzelfstaand, spectaculair stuk zoals de mammoet van Hirst, maar een hele collectie gigantische fossielen vormt deze verzameling relikwieën als kunst. Dit zijn geen loutere studieobjecten zoals in andere natuurhistorische musea, dit zijn kunstwerken. En kunst is de vonk van menselijkheid die wij aan de wetenschap toevoegen, het is een middel om ons met deze botten te verbinden.

Wanneer ik door deze ruimte loop, verbind ik mij met verschillende tijden. Ik kijk naar een bot dat zevenenzestig miljoen jaar oud is. Een dier dat ademde, dat leefde, dat bewoog, wordt door kunst opnieuw tot leven gewekt.

Tweeduizend jaar geleden besloot een vroege christen in Rome dat een bot eerbied verdiende. Zeshonderd jaar geleden bouwde een goudsmid in Toscane een bergkristallen omhulsel rond de tand van Maria Magdalena. In deze eeuw vergulde Damien Hirst een mammoet in Miami. En vandaag, in een zeventiende-eeuws grachtenpand in Amsterdam, doen Jaap Sinke en Ferry van Tongeren hetzelfde voor wezens die leefden voordat er mensen waren.

Ik nodig je uit om door deze ruimte te lopen zoals een middeleeuwse pelgrim door een kathedraal liep. Het bot is de verbinding tussen ons en Maria Magdalena, tussen ons en de mammoet in Miami, tussen ons en de wezens die hier om je heen staan en die zevenenzestig miljoen jaar geleden ademden.

De tentoonstelling Relics is te zien van 17 april t/m 30 november in Art Zoo Amsterdam.

Recente verhalen