De romantiek hangt in de lucht

De terugkeer van de romantiek in de kunst

See All This ziet een opvallende terugkeer van de romantiek in de kunst – in expressie, in de keuze voor landschappelijkheid en in hoe we de wereld ervaren. Maar volgens Maarten Doorman is de romantiek nooit weggeweest. ‘Sinds de romantiek is niet alleen ons gevoel van de natuur volkomen anders geworden; maar ook de kunst.’

Dit is een uitnodiging om de wereld van See All This te betreden — reis verder en verlies jezelf.

tekst: Maarten Doorman

Dineren bij kaarslicht is romantisch. Maar waarom kiezen we voor half duister als we volop licht tot onze beschikking hebben? Wat is er bovendien romantisch aan kaarslicht, wat zou het te maken moeten hebben met Beethoven, natuurdichters, geschilderde landschappen en verre reizen? Wat is eigenlijk romantiek?
Talloze geleerden hebben zich over die vraag gebogen, vooral kunsthistorici en literatuurwetenschappers, maar het beste antwoord staat misschien wel in een gedicht, een van de kortste uit de hele Nederlandse literatuur, van de minor poet Rudi ter Haar:

De zon gaat onder,
Ik voel me bijzonder.

Soms verbergen zich diepe inzichten in een flauwiteit. Zo ook in dit tweeregelige vers getiteld ‘De uitvinding van de romantiek’. Het is natuurlijk een cliché, maar wie blijft onverschillig bij de rode avondhemel boven een langzaam donker wordend heuvellandschap of het zinderend warme oranje van de in zee zakkende zon? Een wat minder spectaculaire, maar vergelijkbare ontroering voelen we als we door een bos wandelen, langs het strand, of wanneer we ons naar besneeuwde bergen of open vlaktes bewegen die we als ‘natuur’ ervaren.

Was dit altijd zo? Nee. En was het overal zo? Evenmin. Hoe moeilijk het ook is voor te stellen, de natuur zoals wij die kennen bestaat pas ruim twee eeuwen, dankzij de romantiek. Neem een boek als Don Quichotte (1605/1615). Duizend bladzijden lang dwaalt een dwaze ridder met zijn knecht Sancho Panza door de natuur, maar de lezer merkt daar helemaal niets van. We zien alleen mensen, een herberg, een scharminkelig paard en al dan niet ingebeelde kastelen. In de beroemde The Canterbury Tales (1392) lopen pelgrims een boek lang door het prachtige Engelse landschap en vertellen ze elkaar verhalen, maar aan de natuur maakt niemand een woord aan vuil.

Eigenlijk is die er ook helemaal niet. Zo is een bos tot ver in de achttiende eeuw een ruimte die je slechts betreedt voor hout, als brandstof of bouwmateriaal, voor vruchten, wild of ander voedsel. Verder is het een onherbergzaam gebied dat je mijdt als de pest, dus niet iets om te bewonderen of je in thuis te voelen. Een afwezigheid, zoiets als de tussenberm van een snelweg of een vergeten rangeerterrein. Godfried Bomans zei eens om natuurliefhebbers te pesten: ‘Ik beschouw de natuur meer als de afstand tussen twee steden.’ Dat was natuur voordat de romantiek haar zichtbaar maakte.

Natuur is een westerse uitvinding. De negentiende-eeuwse Japanse prenten van de Fuji Berg, gemaakt door Katsushika Hokusai, laten weliswaar landschap zien, maar de westerse blik roept er de vereiste romantische stemming bij op. Aboriginalkunst vertoont soms bomen en dieren, toch zijn ze ons vreemd en het is de vraag of die afbeeldingen natuur weergeven en zelfs of we ze wel kunst mogen noemen. Want eigent de westerse blik zich niet het beeld toe, door er ‘kunst’ van te maken en er ook nog eens een eigen natuurervaring op te projecteren?

Recente verhalen