BLOG

Wat het oog je vertelt

Door Ferry Piekart | juni, 2016

Nog geen halve minuut kijkt de gemiddelde museumbezoeker naar een schilderij, zo blijkt uit een recent onderzoek. Dat is 1,43 seconden langer dan in 2001 – maar die winst wordt vooral toegeschreven aan de tijd die het de bezoeker kost om een selfie met het kunstwerk te maken. Schrijver Cees Nooteboom kijkt ongetwijfeld langer. In zijn nieuwe boek Wat het oog je vertelt laat hij zien wat écht kijken is. 

Cees Nooteboom, Wat het oog je vertelt

Al sinds de vroege jaren vijftig bereist hij de wereld, op zoek naar de beelden en verhalen die onze cultuur vormen. Die beelden en verhalen zijn gebundeld in dit nieuwe, lijvige boek. Een boek dat je doet watertanden bij het lezen – de combinatie van de reisverhalen van Nooteboom én de verhalen over de kunstwerken en tentoonstellingen die hij over de hele wereld zag, werkt aanstekelijk. Vooral omdat Nooteboom zelf nergens afwezig is; als aanschouwer van een kunstwerk speelt hij net zo’n grote rol als de maker. De interpretatie ligt immers bij degene die kijkt – en precies dat aspect weet Nooteboom prachtig te beschrijven. Op een manier die het verlangen oproept om voor een kunstwerk te gaan staan en eindeloos te kijken.

Hieronder een fragment uit Wat het oog je vertelt, waarin Cees Nooteboom de lezer meeneemt in de wereld van Edward Hopper.

Fragment uit ‘Wat het oog je vertelt’:

Naast mijn hotel in Brooklyn is een bar waar ik ’s avonds, voor ik ga slapen, altijd even naar binnen loop. Het spelletje is tussen mij en de barman. Er is nooit meer dan één zin bij gewisseld, maar we hebben het acht keer gespeeld. De bar is geschilderd door Edward Hopper, het is een ellips waaromheen de habitués elke avond op dezelfde wijze gedrapeerd zitten, de deftige neger in zijn pied-de-poule, de eenzame dronkaard die af en toe ineens begint te schelden, de slonzige dame met de hoed, een paar Ierse gokkers die elke avond Sinatra opzetten en dan meezingen, en in het centrum van alles, omgeven door zijn bar als een eiland door de zee, staat de barman. Verder weg verloopt de zaal in een volstrekt duister waarin af en toe, als iemand naar de wc gaat, een bliksemflits van neon oplicht die een onderwereld zichtbaar maakt, de televisie staat aan en niemand kijkt behalve als er gevochten wordt, en de jukebox geeft kleuren af die in de kleurenleer van Goethe niet voorkomen. De eerste keer dat ik binnenkom, onwennig in het helleduister, doet de barman of hij me niet ziet. Dat is de initiatie. Ik kan niet roepen (verlegenheid, slechte eigenschap voor een reiziger) en probeer mijn gezicht in een schamele lichtvlek te krijgen zodat zijn oog op me moet vallen. Ik hoor dat hij Eddy heet. Hij is druk in de weer met zijn flessen, maakt grappen, passeert mijn blikken rakelings, maar ik ben onzichtbaar. Soms til ik mijn arm op, daarna alleen nog maar mijn hand, maar pas als ik, heel lichtjes, alleen nog maar mijn vinger oplicht komt hij. Van verwarring weet ik ineens niet meer wat ik wou bestellen en neem iets wat ik jaren niet gedronken heb, bourbon on the rocks.

‘Harpers or Grand Dad?’
‘Harpers.’
Als hij hem neerzet vraag ik een ‘soda on the side’. Hij geeft me zo’n glas met een drijvende ijsberg erin, en vanaf dat moment is het ritueel gevestigd. Ik til mijn vinger op, hij zet de bruine en doorzichtige tweeling neer. Niet alleen die avond, elke avond. Al zou ik honderd keer zin hebben in iets anders, daar is geen sprake meer van: zodra mijn schim zich in de deuropening vertoont staat er al een bourbon. Het geeft mij een gevoel van intense geborgenheid. Deze malle Ier met zijn glooiende hangbuik en zijn veelwetende, ironische blik is het enige vaste punt in mijn dag geworden. Als ik over twintig jaar in dit hotel terugkom staat er een bourbon voor mij klaar. En een soda.

‘De kern waaromheen het intellect van de kunstenaar zijn werk bouwt is hij zelf; het centrale ego, de persoonlijkheid of hoe je dat ook wilt noemen – en die verandert weinig van zijn geboorte tot zijn dood.’ Edward Hopper, die in 1967 op vijfentachtigjarige leeftijd overleed, was spaarzaam met woorden, maar als hij wat zei was het essentieel en duidelijk.

Op de grote overzichtstentoonstelling in het Whitneymuseum is de geldigheid van bovenstaande bewering makkelijk te verifiëren. Beestachtig is het eigenlijk, zo’n eindeloos lang schildersleven in een paar zalen bijeen. Terwijl het kunnen steeds verder evolueert blijft de centrale thematiek hetzelfde: de interieure visie van Edward Hopper op de rest van de wereld – in zijn geval Amerika. En dat is een tragische visie, of liever, mijn interpretatie ervan is tragisch. Zelfs als hij de mensen weglaat houdt het decor – landschappen, stadsgezichten, vuurtorens, tunnels – iets noodlottigs, alsof die dingen meer willen betekenen dan wat ze zijn, een onderliggend, in de gewone werkelijkheid afwezig en onzichtbaar element van verdriet, melancholie en massief isolement.

Sommige schilders vinden een licht uit voor zichzelf, een licht dat niet in de natuur bestaat. Dat licht is wat zij over de wereld denken, zo zien zij de wereld. De beschouwer kan zich daaraan niet onttrekken. Wat hij ziet is niet meer een huis of een vuurtoren ergens op Cape Cod, nee, het is een huis dat ooit ergens in de ‘werkelijkheid’ bestaan heeft maar daaraan is onttrokken door de onderdompeling in het licht (= de gedachte) van Edward Hopper. Dat zelfuitgevonden licht heeft zijn eigen manier om objecten te omlijnen en beschijnen, zodat die objecten – een huis, een bar, een benzinestation – losgemaakt worden van de ‘gewone’ manier waarop ze door een voorbijganger gezien worden. Ze zijn geïmpregneerd met ziel, ze getuigen niet langer omtrent zichzelf, maar omtrent de ziel van de man die ze schilderde, en die ziel heeft een onwennige relatie met de natuur of wat daarvoor doorgaat. Water bij Hopper wordt solide. De lucht staat achter de horizon als een verticale plaat. De huizen hellen daardoor naar boven. Het water van de haven is zo gestold dat het lijkt of de boten erin liggen vastgevroren. Kijk ik nu goed, of is het mijn eigen ziel, die, misschien net zo geconstrueerd, of beïnvloed door die van Hopper, er nog een tragisch schepje bovenop doet?

People in the Sun heet een van de schilderijen. De titel is vrolijk genoeg, maar de bizarre groep die daar doodstil zit lijkt op Godot te wachten lang voor Beckett hem een naam gegeven had. Verstijfd zitten ze daar, als vijanden, tegenover nu juist niet de zon maar een blauwe heuvelgroep die boosaardig oprijst achter weer zo’n plat, korenkleurig vlak. Western Motel: het bed, de lamp, de twee koffers, de groene auto wachtend en dreigend – alsof het iemand is – voor het raam. Het effect van dreiging komt van het licht dat van de grote vormen van de heuvels buiten een massa maakt, een slagorde. Op Road and Trees staan helemaal geen mensen meer. Het hoeft ook niet: zonder ons bestaat die dreiging precies hetzelfde, als iets wat zichzelf bedreigt, een onafhankelijk element.

Edward Hopper, Morning Sun

Edward Hopper, Morning Sun

Een van de geheimzinnigste schilderijen is Morning Sun. Een vrouw zit in een zalmroze onderjurk op een bed waarvan de dekens zijn afgehaald. Het raam is open, wij zijn in een stad. Wij? Maar wie zijn wij dan? Wij komen op het schilderij niet voor, er is alleen die vrouw. Maar deze kant van het schilderij, de kant waar de schilder gestaan moet hebben en waar wij – omdat hij de vrouw geschilderd heeft – nu ook staan is open. Dat kan natuurlijk niet: waar het schilderij open is moet een muur zijn. Die vrouw is daar alleen: alles in haar gezicht wijst daarop. Dat is het raadsel. Zij is alleen en onbespied en kijkt naar buiten en wij zien haar toch en kijken naar binnen in een gesloten universum. Dat is niet alleen geheimzinnig, dat is ook angstaanjagend. Het licht dat door het open raam naar binnen komt en zichzelf op de andere (maar er is er maar één) muur projecteert staat met een hoek van vijf graden op het bed. Als je lang genoeg naar dat lege, lichte vlak kijkt zie je hoe autonoom het is. Het kan zo wegvliegen naar een tekening van Henneman of zich nestelen in een schilderij van Malsen. Dat heeft het trouwens wel eens gedaan, maar het moet hier altijd terugkomen, de vrouw zal er altijd de rechteronderhoek van bedekken, en zij zal zo zitten, zichtbaar in haar onzichtbaarheid met haar een beetje La Goulue-achtig gezicht, haar eigen groene schaduw naar achteren werpend op de lakens, de zon die ergens anders verblijft vangend op haar armen, haar borsten, haar dijen.

Weglopend van het schilderij weet ik dat er nog iets is dat me bezighoudt. Ik weet ook wat het is, maar de gedachte wil niet helder worden: die vrouw heeft geen naam. Het is maar één stap om daarna te zeggen: het is een naamloze, maar dat woord is zo geladen als een vervloeking, alsof het gevaarlijk is om geen naam te hebben. Misschien is dat wat het is: een gevaarlijk schilderij.

 

Uit: Wat het oog je vertelt, Cees Nooteboom, De Bezige Bij. 

Reacties op Wat het oog je vertelt

laat een reactie achter

Uw beoordeling