BLOG

Je zei dat stillevens niet bestonden

Door Ali Smith | september, 2019

Stel je voor. Het geschilderde water op het geschilderde blad voor een echte waterdruppel aanzien. In dit korte verhaal onderzoekt de weergaloze schrijver Ali Smith het bestaansrecht van het stilleven. Alleen het woord al is een paradox. ‘Stil. Leven, zei ik. (Pats, pats.) Een idioot oxymoron.’ 

tekst ALI SMITH

 

We reden naar de begrafenis. We zaten te discussiëren of zoiets als een stilleven eigenlijk mogelijk was in de wereld. Of liever gezegd, ik zat in mijn eentje te discussiëren. Met jou viel niet te discussiëren, zoals gebruikelijk.
Ik bedoel, zei je. De grote stillevenschilders. Of niet alleen de grote, maar alle stillevenschilders. Waar ze vroeger naar verlangden, waar ze nog steeds het meest naar verlangen, is het moment dat bijvoorbeeld een bij door het raam de kamer waar het schilderij hangt binnen zou vliegen, zou denken dat de bloemen echt waren en proberen het schilderij in te gaan. De ultieme test – daar gaat het om. Het moment dat de bij, de echt bestaande bij, de kunst komt snuiven voor een snuif pollen.

Ik rolde met mijn ogen. Je zag het niet; jouw ogen waren op de weg gericht. Volgens jou was er sowieso niets om over te discussiëren omdat het stilleven, als term, gewoon een op zichzelf staand feit was en bestond omdat traditie, gewoonte en alle woordenboeken en kunstboeken en webpagina’s als Wiki en zo zeiden dat het bestond, als definitie van een bepaald onderwerp in de schilderkunst. Typ het in een zoekmachine en hup daar is het, zei je. Dus het bestaat.

 

 

Tacita Dean, Providence, 2017, filmstill, 16mm kleurenfilm van 35mm anamorfische film

Dat sublieme moment, zei je nu terwijl het landschap langs ons zoefde, wanneer iemand in het atelier of het museum of waar dan ook zou komen en de geschilderde waterdruppel zou zien op een van de geschilderde bladeren, verlicht door dat miniemste, geringste verfstreekje wit, dat weerkaatst licht voorstelt, op het blad of op het oppervlak van een van de geschilderde vruchten. Het moment dat die persoon de zoom van zijn of haar mouw of een zakdoek zou pakken, omhoog zou kijken om te zien waar het vandaan kwam, of er lekkage of tekenen van vocht op het plafond te zien waren, en dan zou proberen de druppel water van het schilderij te vegen.

Apocrief, zei ik.
Apowat? zei je.
Verzonnen, zei ik. Zodat kunstenaars zich superieur kunnen voelen over hun talenten.
O, jaja, zei je. Ik snap hem wel.
En toen lachte je in jezelf op een vrij superieure manier.
En ik weet niet, nu we het toch over definities van kunst hebben, of je zo achteloos met dat woord subliem kunt strooien, zei ik.
Ik denk echt dat het subliem is. Stel je voor. Het geschilderde water op het geschilderde blad voor een echte waterdruppel aanzien.
En wat betekent subliem ook weer precies? zei ik. Nu we het over empirische betekenissen hebben?
Ik weet wel wat subliem betekent, zei je.

Ik keek naar de te dichtbije achterkanten van de auto’s op de snelweg voor ons, hoe ze de zon die laag achter ons stond terugkaatsten in onze ogen. Ik probeerde weer uit te leggen dat de woorden stil en leven niet bij elkaar pasten, in geen enkele reële of gelaagde filosofische interpretatie van elk van beide woorden. Ik sloeg voor elk woord een keer met mijn vlakke hand op het dashboard.
Stil. Leven, zei ik. (Pats, pats.) Een idioot oxymoron.
Ik leunde naar achteren. Discussie gesloten. Toen zag ik uit mijn ooghoek in de splinter van het moment, jou, in de verleiding om het woord idioot tegen mij te gebruiken maar vastbesloten het niet te doen.
Het hele punt, zei je in plaats daarvan. Omdat het, eh, als je die woorden samenvoegt, stil en leven, een, wat is het woord voor iets wat een onoplosbaar, onmogelijk ding is maar toch bestaat? Begint met een p.
Poxymoron? zei ik.
Nee, zei je, een woord dat klinkt als iets op een computer, iets met docx, maar dan met een p. Dat is het. Paradoxaal. Paradocx.

Nu hield je het stuur alleen nog maar met je duim en één vinger vast op het laagste punt van het stuur op de manier die ik altijd zowel aantrekkelijk als griezelig vind, en ongeveer 150 km per uur rijden was niets, en dingen als gaten in de weg of stukken baksteen die van de laadbak van een vrachtwagen met puin zouden kunnen vallen, of flarden oude banden of bogen spatbord die per ongeluk geraakt zouden kunnen worden op de snelweg door een auto die ver boven de maximum snelheid reed, bestonden gewoon niet, en mocht dat wel zo zijn, dan maakte het jou niets uit, maakte jij je er geen zorgen over. Ik zei er niets van, van de snelheid. Ik wist wel beter dan me met je rijkunst te bemoeien na al die jaren dat je me rondrijdt. Ik kan het niet. Autorijden, bedoel ik. Bovendien was het aardig van je om me niet alleen daarheen te rijden maar ook mee te komen, me te vergezellen. Je hebt haar niet gekend. Je hebt haar nooit ontmoet; ze is een vreemde voor je,
Was. Zou zijn geweest.
Als jullie elkaar ooit op straat waren tegengekomen, zouden jullie vreemden zijn geweest. Bovendien houd je niet van begrafenissen. Nou ja, houdt iemand ervan? Waarschijnlijk wel, waarschijnlijk zijn er mensen op de wereld die ervan houden (gezien de wereld vol zit met een oneindige variëteit aan geleefde levens zo topzwaar van ervaringen, onnozelheden, complicaties, aantrekkelijkheden en afkeren nadat ze dag na dag, dag in dag uit, al die tijd geleefd hebben als rozen in volle bloei op dunne stelen die in een kom zijn geschikt). Maar ik weet zeker dat jij niet tot die mensen behoort. Dus in plaats daarvan zei ik:
Ik denk sowieso dat die bloemenschilderijen over het algemeen niet tot de stillevens worden gerekend. Ze zijn grillig.
Ja, bloemen zijn knap wispelturig, zei je.
Nee, zei ik. Grillig. In de zin van veranderlijk, onregelmatig.
Ik weet wat je bedoelt, zei je.
En ik denk dat de meeste stillevens eerder iets zijn als tafels vol dingen waar de eigenaar mee kan pronken, zei ik. Telescopen. Veren om mee te schrijven. Inktpotten.
Ik dacht dat je zei dat stillevens niet bestonden? zei je.

Kommen en glazen kannen en aardewerk, zei ik. Glimmende kandelaars, zodat de schilder kan pronken met zijn talent om dingen in het donker te laten glimmen. Spullen om te bewijzen hoe cultureel en rijk de mensen waren die opdracht gaven voor de schilderijen.
Dode fazanten, zei je.
Grootgrondbezit, zei ik. Rijkdom.
Stapels boeken, zei je.
Cultuur, geleerdheid, zei ik. Rijkdom.
Een ananas, zei je.
Rijkdom, zei ik.
Kaarten, zei je.
Rijkdom, zei ik.
Schedels, zei je. Een pluimpje rook van een gedoofde kaars in een gouden kandelaar.
Mortaliteit, moraliteit, zei ik. Plus, je weet wel. Rijkdom.
En ook het tegengestelde van mortaliteit, zei je. Bloemen die nooit zullen sterven. Dat noem ik nog eens rijkdom.
Alleen als die bloemenschilderijen wel zijn opgenomen in de definitie van wat als stilleven telt, zei ik.
Het worden eigenlijk bloemstukken genoemd, zei je.
Hoe ze ook worden genoemd, zei ik. Heden vergaand, morgen toch nog bestaand.
Er zit nog leven in de oude hondsroos, zei je. Nu spreek je de taal van bloemen.
Taal van dode natuur, zei ik. Nature morte.
Er zit nog leven in, zei je.
Ook al zijn de echte bloemen die de schilder schilderde al lang vergaan, zei ik.
Ja, maar de bloemen op de schilderijen zijn ook echte bloemen, zei jij.
Nou, strikt genomen zijn ze dat niet, zei ik.
Nou, ja, zei je. Strikt genomen zijn ze het wel.
Het zijn niet de bestaande bloemen als zodanig, zei ik. Het zijn niet eens bloemen. Het zijn chemicaliën, pigmenten, doek, wat dan ook.
Maar ze bestaan, in hun nieuwe vorm, als zodanig, gemaakt van chemicaliën, pigmenten, doek en wat dan ook, zei je. Dat is echt genoeg voor mij.
Een schilderij van bloemen is niet hetzelfde als bloemen, zei ik.
Maar toch zijn ze er, zei je.
Nee, zei ik. Ze zijn er niet.
En eeuwen later, zei je, zijn ze er stilaan nog steeds, met de nakomelingen van onvoorstelbare generaties bijen, bijen uit een toekomst die onvoorstelbaar was toen hun individuele leven werd stilgezet, de afstammelingen van afstammelingen van afstammelingen van bijen die naar ze toe vliegen, als motten naar de elektriciteit die ze altijd voor liefdeslicht aanzien, en zich ertegen verdoezelen, kleine verstuivingen van hun eigen pootjes vol pollenstof over de geschilderde bloemen achterlaten.

Tacita Dean, GAETA Fifty photographs, number 29, 2015, hand printed c print on high gloss paper, mounted on dibonc, 80 x 105 x 0,3 cm, courtesy Frifth Street Gallery, Londen en Marian Goodman Gallery, New York en Parijs

Apocriefer, zei ik bijna fluisterend.
Poxymoron, zei je bijna sub rosa.
Elektriciteit lijkt totaal niet op liefdeslicht, zei ik.
Voor mij is het allemaal energie, zei je.
En waar het om gaat bij leven, zei ik terwijl de snelweg onder ons door vloog en de jonge dunne snelwegboompjes achter het zijraampje, bleek en miezerig op de helling van de berm, achteruit aan ons voorbij schoten in een vage vlek groenheid, is dat leven nooit, helemaal nooit stil kan worden genoemd.
Roerend, is het niet? Leven, zei je.
Je hield je hoofd een klein beetje schuin en knipoogde naar me. Er was licht in je ogen.
Ik heb altijd gehouden van het licht in je ogen.
Toen beschutten we tegelijk onze ogen tegen het felle licht van de auto’s voor ons.

 

*

 

Het donker van het hout van de tafel eronder. De putjes en nerven en de bijna onzichtbare knoesten in het hout. Het gemarmerde licht en de donkere bruinen van de muur op de achtergrond. Het licht op de schuinte van de gevlochten twijgen in de mand onder de bloemen. De schaduw van de mand op de tafel naar de achterkant van het schilderij, naar rechts, waar het licht het minst valt, substantieel.

Voorgrond, de rozen. Begin met de helderwitte volste rozen, de een voller dan de andere, naast de crèmekleurige bloem van een ontloken, rijpe roos met blaadjes die op het punt staan zich los te maken. Aan de zijkant, nog in de mand, een roos die naar voren steekt op zijn steel, wit, met blad dat uitdroging suggereert, de broze manier waarop blad vergaat wanneer het ouder wordt, al is de roos nog jong. Van alle bloemen in de mand drukt deze het sterkst iets anders uit dan bloem; de achteloosheid van een volmaakte bloei, en hij ziet er een beetje verloren uit, zoals hij zich naar voren stort, zich niet vrij kan maken. Daarboven, de rode bekroning van de hoogste bloem, opgevangen door groen en een zweem van onderbloei. In het midden van het schilderij, in het hart, de onbedorvenste wijd open bloem, de resoluut uitgewaaierde roze bloemblaadjes tussen witte bloem en witroze bloem in, als het ware voortgebracht door niets anders dan de ontmoeting van hun kleuren. Dan, wegvallend van de andere, wegwijzend in een gedeeltelijke openheid, gedeeltelijke nog-geslotenheid, een roos van een bijna groene witheid met een waaier van lichtere en donkerdere roze bloemen erachter, en bladeren, en die onzichtbare bloemen aan de andere kant van de kom zijn louter een suggestie, wit, rood.

Het opwaarts beschaduwde gebaar van een blad. Is het schaduw of blad?

Dan helemaal vooraan – alsof alle andere rozen, al die rozen in de mand, niets anders zijn dan publiek dat door natuurlijke zwaartekracht, of magnetisme, naar hun gevallenheid is getrokken – vier gevallen bloemen op het tafelblad, gradaties van lichtroze tot wit, donkerroze tot rood. Uitgewaaierd, zich krullend rond de tafelrand alsof het echte kracht heeft, greep heeft, op het punt staat zich van de tafel uit het schilderij en erachter te krullen, het geaderde groene rozenblad, scherp gekarteld. De randen vangen licht. Ernaast, in het helderste rood, in een hulpeloze kraag van groen, een roos die er tegelijk gebroken en compleet uitziet.

 


Dit korte verhaal van Ali Smith komt uit See All This #15.
Bekijk het nummer hier >

Reacties op Je zei dat stillevens niet bestonden

Aureen Harthoorn
Prachtig en inspirerend. Afgelopen maanden haar ‘seizoenen’boeken gelezen. Ik wist niet dat Ali Smith ook over kunst schreef. En dat is precies wat ze in haar romans ook doet. Beschouwend naar mensen en hun gedrag kijken en dat op een eigenzinnige beeldende manier beschrijven. Bedankt voor het delen.
Hartelijke groet,
Aureen Harthoorn
laat een reactie achter

Uw beoordeling