Rob Moorees | ONZE CURATOREN

Rob Moorees woont en werkt als autonoom fotograaf in Amsterdam; zijn werk is onderdeel van diverse collecties waaronder de Rijksdienst Beeldende Kunst en Gemeentearchief Amsterdam. Daarnaast houdt hij zich ook als docent, columnist en curator intensief bezig met fotografie. Zo geeft hij les op het ACF (Amsterdam) en op iArts (Maastricht) en maakte hij voor Huis Marseille de archiefexpositie en het bijbehorend boek ‘Life is Strange’ (2015). 'Fotografie – juist deze uitvinding die alle leven tot stilstand dwong – maakt het mogelijk om te reizen door de tijd.'
Rob Moorees

De keuzes van Rob Moorees

Francis Frith

Op onze selfies staan we pal vooraan. Wij zijn het middelpunt van de wereld. Landschappen en steden schuiven op de achtergrond voorbij. We doen hoogstens een stapje opzij om met een gestrekte arm de Toren van Pisa tegen te houden. Op miljoenen toeristenfoto's staan lachende hoofden, tegen elkaar geklemd, messcherp in het midden van het beeld. Met op de achtergrond nauwelijks herkenbaar de kathedraal van Gaudí of de Engelburcht in Rome, te dicht bij de camera om binnen het kader passen. Maar het doel is bereikt: het bewijs op Facebook dat wij daar zijn. Niet waren, maar zijn. De tijd van vakantiefoto's die pas later opbloeien in albums ligt voorgoed achter ons.
De Engelse fotograaf Francis Frith nam ruim 150 jaar geleden - letterlijk - afstand van zijn reisgezelschap om de piramides langs de Nijl vast te leggen. Met, aan de voet van de imposante steenconstructies, minuscule donkere stipjes in witte gewaden naast hun zwaar bepakte lastdieren. Een volmaakt klassiek wereldbeeld: de wereldwonderen groot, de mens een stip. Gefotografeerd onder zware omstandigheden: extreme hitte, roversbendes, en uiterst primitieve apparatuur.
Met de iPhone zijn de technische hindernissen overwonnen. Iedereen fotografeert. En iedereen reist, er zijn geen thuisblijvers meer. Fotografische pioniers zoals Francis Frith zijn verdwenen. En met hen de afstand tot de wereld die we waarnemen.
De expositie 'In Egypte', in Huis Marseille (waar onder meer werk van Frith te zien is) is een indrukwekkende blik op een wereld die niet meer bestaat. De piramides staan er nog - u kan er morgen voor een bodemprijs naartoe vliegen - maar de onbereikbare droom die in 1857 vakkundig werd vastgelegd voor de thuisblijvers, is voorgoed verdwenen.

Béla Tarr

Zwervend als jonge fotograaf door Londen werd ik overvallen door een wolkbreuk. Om te schuilen dook ik een kleine bioscoop in en zag daar ‘Zerkalo’, een Russische film van een mij onbekende cineast. Langzaam opdrogend keek ik met groeiende verwondering naar filmbeelden die ik niet voor mogelijk hield. Weer thuis keek en las ik alles van en over Andrei Tarkovsky, een cineast die niet alleen voor het oog filmde maar er in slaagde het kijkproces op te tillen naar een fysieke ervaring. Afgelopen maandag, guur, grijs, motregen, en 35 jaar na de wolkbreuk in Londen, stak ik met de pont het IJ over, naar de grote expositie ‘Till the End of the World’. Nietsvermoedend liep ik de eerste verduisterde zalen in om meteen door krachtige windmachines half omver geblazen te worden terwijl schaduwen van takken over de muur zwiepten en dorre bladeren rond wentelden over de vloer. Welkom in het universum van de Hongaarse cineast Béla Tarr. Na dit heftige intro volgen de stille zalen, met talloze filmfragmenten die minstens zo fysiek voelbaar zijn als bij Tarkovsky. Met als hoogtepunt een scene waar ruige mannen, in een dorpscafé tegen sluitingstijd, los komen van hun barkrukken en als planeten – log om elkaar heen wervelend – aan een dans beginnen, daartoe overgehaald door 'de vreemdeling', een jonge circusprins op doorreis. Verbijsterende cinema. Antonin Artaud zou in zijn handen geklapt hebben, hij schreef in zijn "Het theater van de wreedheid" (1938) over zijn weerzin tegen de Parijse kunstelite, over het navelstarende bourgeois-toneel. Dit in tegenstelling tot het volkstheater dat hij ontdekte en zo bewonderde in Bali. De westerse beschaving tegenover de wreedheid van het tijdloze, tegenover de kosmische bewegingen van ragfijne, eeuwenoude, danspatronen. Die hier, dankzij Béla Tarr, - heel even – naadloos samenvallen met de primitieve dans van haveloze, halfdronken, Hongaarse dorpelingen aan de rand van het huidige Europa.

Leendert Blok

De zonnebloemen van Vincent van Gogh, de waterlelies van Monet, de klaprozen van Gustav Klimt. De bloem tot kunst verheven. Mede door dichters als Rilke, die de roos van bloem tot symbool van Orpheus transformeerde. Ook de picturale fotografie was rond 1900 erg geliefd vanwege haar impressionistische bloemstillevens en pastorale landschappen. Een zeldzame uitzondering hierop was de Duitse fotograaf Karl Blossfeldt (1865-1932) die de organische constructies in de plantenwereld als een ingenieur bestudeerde en ze in scherpe en sobere zwart/wit-beelden wist vast te leggen. In 2006 zag ik op het Nationaal Archief voor het eerst het werk van bloemenfotograaf Leendert Blok (1895-1986). Alsof er met één simpel gebaar zware gordijnen opzij werden geschoven. Deze onbekende fotograaf, die geen deel uitmaakte van welke kunstscene dan ook, fotografeerde voor de bloemenkwekers die al generaties lang hun bloembollen telen op de geestgronden achter de Hollandse duinen. Of Leendert op de hoogte was van de beroemde uitspraak ‘Rose is a rose is a rose is a rose’ van Gertrude Stein is mij niet bekend, maar haar statement sluit naadloos aan op zijn monnikenwerk. Leendert Blok bevrijdde de bloem van het juk van de beeldende kunst: een tulp werd weer een tulp, een narcis een narcis. Zijn foto's – gemaakt via een uniek kleurenprocedé, een eigen uitvinding van Leendert – zijn uiterst nauwgezet en met grote liefde gemaakt, de fotograaf zelf is uit het uiteindelijke beeld verdwenen. Wat rest is pure schoonheid. Het levenswerk van Leendert Blok wordt al jaren gekoesterd door de Stichting Spaarnestad Photo, onderdeel van het Nationaal Archief.
Een foto van de bollenvelden van Leendert Blok is opgenomen in het lenteportfolio van See All This #5.

Het universum van Arthur Prins

Museum Boijmans van Beuningen zal met de expositie "Gek van Surrealisme" volle zalen trekken. Deze kunst is niet plechtig, eerder kinderlijk stout, raadselachtig, vindingrijk, droomachtig, kortom ‘anders’. Met als uitschieter Salvador Dalí, de opvallendste goochelaar op het wereldpodium der Kunsten. Maar een kleine, geruisloze expositie die u evenmin mag missen, is momenteel te zien in Museum Het Dolhuys, een eeuwenoud, labyrinth-vormig gebouw. Diverse objecten herinneren ook nu nog aan een verleden waarin in deze ruimtes geestelijk gestoorde patiënten - vastgesnoerd op zware stoelen met riemen van tuigleer - hun wanhoop uitschreeuwden of catatonisch stil vielen. In een van de talrijke kleine zalen is de expositie te bewonderen van Arthur Prins, een bescheiden man die - hij is regelmatig zelf aanwezig - qua uiterlijk in niets aan Salvador Dalí doet denken. Eerder aan een ambtenaar in ruste. Maar die rust is bedrieglijk, zijn collage-tekeningen vertellen u als kijker dat deze voorover gebogen man, die nauwelijks opkijkt van zijn schetsboek, leeft in een uiterste complexe wereld. Zo deed hij in 'Nooit meer slapen' (VPRO) de uitspraak: ‘Ik heb een deurtje naar het heelal.’ De muur tussen kunst en waan oogt fragiel, maar de scheiding is onherroepelijk. De flamboyante surrealist Salvador Dalí toverde felrode lippen om tot een sofa en kreeften tot telefoons, en creëerde zo zijn eigen universum. Mensen als Arthur Prins gaan echter onder het Universum gebukt, zijn binnen/buitenwereld-evenwicht is zó kwetsbaar dat hij de wereld om hem heen uiterst voorzichtig benadert én dit proces onafgebroken moet notuleren. Dag in, dag uit.